Shop

Vuur maken: een gedetailleerde stap-voor-staphandleiding

Inhoudsopgave

Als mensen het hebben over “het maken van vuur”, bedoelen ze meestal niet het vuur van een fornuis, haard of oven, maar een “open vuur”. Simpel gezegd is een vuur open als het niet wordt aangestoken in een gesloten verbrandingsruimte. Een kampvuur is dus zeker een open vuur.

Vuurtonnen, hobo-ovens, barbecues en sommige soorten kooktoestellen kunnen echter ook als “open” worden beschouwd. Zo kom je al snel in een wirwar van discretionaire bevoegdheden en grijze gebieden terecht. Daarom hebben we het in deze reeks artikelen uitsluitend over het klassieke kampvuur buiten in de “vrije natuur”.

Wetten en regels

Open kampvuur
Bij dit beeld begint het hart van elke outdoorliefhebber vermoedelijk sneller te slaan.

In eerste instantie is het antwoord even simpel als ontnuchterend: in Duitsland zijn open vuren en open licht (kaarsen, fakkels, lantaarns) verboden in het bos en tot 100 meter van de bosrand. Normaal gesproken geldt er ook een rookverbod tussen 1 maart en 30 oktober en natuurlijk is het verboden om gloeiende peuken weg te gooien. Ook voor weide-, veld-, akker- en oeverzones gelden verplichtingen en verboden.

Maar zoals altijd zijn de rechten, regels en verboden in Duitsland ingewikkeld en uitgebreid… En dat is niet anders voor vuur. Het regelgevende kader wordt bepaald door de Duitse nationale wet voor bossen en die voor de bescherming van de natuur, maar veel wordt ook per deelstaat geregeld of verschilt zelfs van gemeente tot gemeente. Bovendien spreken de regels op verschillende niveaus elkaar soms tegen. Volgens outdoor- en survivalexpert Kai “Sacki” Sackmann gelden in geval van twijfel de voorschriften van de deelstaat. Het interessante artikel van Sackmann is een van de weinige gedetailleerde en duidelijk gestructureerde bijdragen over de Duitse juridische situatie met betrekking tot buitenvuur.

Maar waarom is alles zo ingewikkeld en streng gehandhaafd in Duitsland? In het land wonen nu eenmaal heel veel mensen (gemiddeld ongeveer 225/km²) die relatief weinig en meestal kleine natuurgebieden delen. De regels en voorschriften zijn er dus niet om ons outdoorliefhebbers te pesten, maar om de resterende bossen en natuurgebieden te beschermen tegen brand en andere schade.

Het overgrote merendeel van de bossen is vrij toegankelijk, maar zeker niet ongerept. Meestal gaat het om bosbouwgronden die eigendom zijn van de staat, deelstaten, gemeenten of particulieren. Zelfs met toestemming van de grondbezitter is het niet altijd zeker dat je zomaar vuur mag maken, omdat er ook beperkingen gelden voor privégronden – met name als deze dicht bij een bos liggen. Bij twijfel is het dus beter om geen vuurtje te stoken…

Het milieuaspect

Brood op een stokje boven het vuur
Voordat je omwonenden of andere outdoorliefhebbers lastigvalt met de rook, kun je ze uitnodigen voor wat brood op een stokje. Wie kan zo’n aanbod nu weigeren? 😉

De miljoenen barbecuefanaten horen het wellicht niet graag, maar elk vuur zorgt voor luchtvervuiling. Daarom moet je je, ongeacht de geldende wetgeving, altijd afvragen of de barbecue of het kampvuur echt zinvol en passend is.

Je moet ook rekening houden met de omwonenden of andere mensen die van de buitenlucht aan het genieten zijn en last kunnen hebben van de rook. Misschien kun je ze aan jouw kant krijgen door ze uit te nodigen voor wat brood op een stokje.

Als vuur is toegestaan, betekent dit niet dat je zomaar alles wat brandbaar is in de vlammen mag gooien. Normaal gesproken mag alleen droog, onbehandeld hout of houtskool worden verbrand. Nat materiaal leidt tot overmatige rookontwikkeling en behandeld materiaal (zoals geverfd hout) is schadelijk voor de gezondheid en het milieu.

De juridische situatie in Zwitserland en Oostenrijk

Voor bergvrienden is natuurlijk ook de juridische situatie in het Alpengebied interessant. Hoe zien de voorschriften voor vuur er daar uit? De Zwitsers hebben een zeker vertrouwen in het natuurlijke “gezonde verstand” van de mens en kiezen daarom voor een liberale aanpak:

Er is geen wet op federaal niveau die het maken van vuur in de natuur principieel verbiedt”, legt Rebekka Reichlin van het Zwitsers Federaal Bureau voor Milieu uit aan het consumententijdschrift ‘Espresso’ van Radio SRF 1. “Er is geen expliciet vuurverbod opgenomen in de federale bos-, jacht- of natuurbeschermingswetgeving. Het is in principe dus toegestaan om vuur te maken.”

Dat is goed nieuws voor de barbecue- en vuurfanaten in Zwitserland. Dat betekent echter niet dat mensen overal vuurtjes mogen stoken, want er zijn wel degelijk regionale en tijdelijke verboden, die in de meeste gevallen worden opgelegd vanwege het risico op bosbranden. Volgens onderzoek van de radiozender SRF zijn er echter minstens 500 officiële vuurplaatsen waar vaak een luxueuze infrastructuur voorhanden is (inclusief gratis verkrijgbaar brandhout)!

De situatie in Oostenrijk lijkt op die in Duitsland. Ook hier moet je er dus in principe van uitgaan dat vuur in het bos verboden is. In andere gebieden moet je voor de zekerheid vooraf de bevoegde gemeenten raadplegen.

Voorbereiding

De juiste plaats om vuur te maken

Kampuur 's nachts
Je mag niet overal vuur maken. Je moet rekening houden met de wetgeving!

Gelukkig bestaat het outdoorleven niet alleen maar uit verboden. Buiten beschermde gebieden kun je de verantwoordelijke instanties voor bosbeheer zeker om toestemming vragen. Volgens “Sacki” Sackmann hebben ervaren bushcrafters een succespercentage van ongeveer 50%.

Het antwoord op de vraag wat dan “100% zeker toegestane” plaatsen zijn, is heel eenvoudig: kies voor officiële barbecue- en vuurplaatsen, die meestal staan aangeduid op wandelkaarten of op borden ter plaatse. Je kunt soms ook lijsten van officiële vuurplaatsen vinden op de websites van toeristische organisaties. Af en toe geeft Google Maps ook zulke plaatsen weer, als je termen zoals “vuurplaats”, “vuurlocatie” of “barbecueplaatsen” invoert.

Maak het vuur in de “vrije natuur” indien mogelijk niet in het bos zelf. Als je het toch in het bos moet maken, doe het dan op een zo open mogelijke plek.

Bovendien moet je niet alleen letten op het brandgevaar door rondvliegende vonken en gloeiende resten, maar indien mogelijk ook voorkomen dat er een lelijk gat in de grondbegroeiing achterblijft. Daarom moet je altijd bestaande vuurplaatsen gebruiken, als dat gaat. Over het algemeen zijn zand, grind, rotsen en minerale ondergronden het beste geschikt. De sporen van het vuur kunnen daarop het beste gewist worden.

Als er geen minerale ondergrond beschikbaar is, moet het stuk grond worden uitgegraven en zorgvuldig weer op zijn plaats worden gezet, voordat je de vuurplaats verlaat. Een stevig mes of een opvouwbare spade kan daarbij goed van pas komen. Maar let op: vooral in veen-, heide- en moeraslandschappen kan organisch materiaal in de ondergrond lange tijd na de brand ongemerkt blijven smeulen en zo brand veroorzaken!

Natuurlijk moet de vuurplaats ook op een geschikte afstand en weg van de windkant ten opzichte van brandbare voorwerpen, zoals de tent, worden gemaakt.

Waar moet je nog meer op letten bij de voorbereiding?

Hand prikt met een tak in het vuur
Altijd binnen handbereik: je voorraad brandbaar materiaal.

Sommige outdoorliefhebbers maken veel te grote vuren die niet alleen onnodig veel materiaal verbranden, maar ook moeilijker onder controle te houden zijn. Vooral bij het koken heeft het weinig zin dat het vuur een enorme omtrek verwarmt, maar dat je de (koeken)pan nauwelijks kunt aanraken.

Zodra je de juiste grootte hebt bepaald, is de volgende stap het verwijderen van bladeren, mos en ander organisch materiaal tot ongeveer een meter rond de vuurplaats. Hetzelfde geldt voor vochtig materiaal, dat ook kan gaan branden nadat het vocht is verdampt.

Voordat je het vuur maakt, moet je naast voldoende tondel ook zoveel mogelijk voorraad binnen handbereik hebben (in verschillende formaten) om het vuur in gang te krijgen en het te onderhouden. Het is niet zo’n goed idee om je voorraad in paniek te beginnen zoeken net voordat de vlammen doven. Meer over tondel en aanmaakhout krijg je in een vervolgartikel waarin we dieper ingaan op de juiste manier om een vuur aan te steken.

Brandbaar materiaal

Zoals eerder vermeld, mogen alleen droog hout en houtskool dienen als brandbaar materiaal. Stro en rijshout (dunne, droge takjes) zijn alleen geschikt als tondel, omdat ze snel opbranden, veel rook produceren en een groot risico vormen op rondvliegende sintels.

Groen- en tuinafval verbranden is normaal gesproken verboden vanwege de slechte brandbaarheid en vooral de milieubelastende rook die het produceert. Er staan ook zware boetes op.

Welk hout voor welk vuur?

Op elkaar gestapeld hout
Het is nuttig om basiskennis op te doen over de verschillende houtsoorten en hun eigenschappen.

Waarom maak je het vuur? Wil je dat het snel en heet brandt om soep of thee te koken? Of moet het langer en gelijkmatig branden om te barbecueën en te stoven? Misschien heb je een groot vuur nodig om je warm te houden? Basiskennis over de verschillende houtsoorten en hun eigenschappen is uiterst nuttig, zelfs als je op locatie niet altijd precies het juiste hout kunt vinden.

Probeer ten eerste altijd alleen dood hout te gebruiken in plaats van levende “ledematen” van bomen af te rukken. Dood hout dat nog overeind staat of hangt is ideaal. Hout dat op de grond ligt, kan ook worden gebruikt, maar door het vocht smeult het eerder dan dat het echt brandt. Zodra het vuur echter goed brandt, kun je vochtiger hout een beetje drogen naast het vuur en dan erop leggen.

Levend hout

Levend hout wordt in vaktermen ook wel “groen hout” genoemd. Door het hoge harsgehalte produceert het veel rook en vonken bij het branden. Dat is met name het geval bij naaldhout. Hoewel het relatief zacht is, gemakkelijk brandt en veel hitte genereert, produceert het nauwelijks gloed maar wel veel rook en vonken. In dat geval kun je dennenappels, die vaak uitbundig gloeien, gebruiken als hulp.

Hout van loofboomsoorten zoals beuk of eik is moeilijker aan te steken dan naaldhout, maar brandt langer, vormt langer een gloed en produceert minder rook en vonken.

En wat doe je als er geen bomen in de buurt zijn? In dat geval kun je ook het materiaal van struiken en heesters of drijfhout van stranden en oevers gebruiken. Dat laatste is echter erg droog en brandt dan ook kort en heet. In noodgevallen kunnen ook grassen, mossen en riet worden gebruikt, die van tevoren zo stevig mogelijk samengedrukt moeten worden. Andere noodoplossingen zijn turf en gedroogde dierlijke uitwerpselen.

Brandversnellers zoals spiritus en benzine zijn een heel slecht en soms zelfs dodelijk idee! Afgezien van het feit dat het vuur mogelijk uit de hand loopt, kan het gieten of spuiten in het vuur een terugslag veroorzaken, wat betekent dat de vlammen plotseling naar je toe slaan.

Wind, regen, sneeuw: vuur bij slecht weer

Pan boven het vuur
Bij vochtig weer of sneeuw moet een vuurschaal of andere basis worden gebruikt. Als alternatief kun je het vuur ook in de grond maken.

Bij vochtig weer of sneeuw moet een vuurschaal of andere basis (zoals zand, grind, stenen, vochtig groen hout) worden gebruikt. Anders kan het vuur wegzakken en in een plas doven. Als je hout gebruikt als basis, moeten de twijgen en takken, die zo gelijkvormig en zo min mogelijk brandbaar dienen te zijn, dicht bij elkaar worden gelegd als een barbecuerooster.

Bij harde wind moet je het vuur afschermen met een omgevallen boomstam, een muur van stenen of ander materiaal dat je kunt vinden. Omdat een vuur zuurstof nodig heeft, mag het echter ook niet worden verstikt door onvoldoende luchttoevoer. Als alternatief voor de muur kan het vuur ook in de diepte worden gemaakt als ondergronds vuur. Meer hierover en over andere soorten vuur kun je lezen in het volgende blogartikel over vuur maken.

Bij regen zijn de onderste takken van naaldbomen meestal relatief goed beschermd. Als je de buitenste lagen van sparren- of dennentakken met een mes afschaaft, heb je brandhout dat zelfs bij nat weer nog redelijk droog is.

En last but not least: opgelet met natte of ijzige stenen! Er zit vaak water in poriën en spleten, waardoor het volume toeneemt wanneer het verdampt. De resulterende druk wordt soms zo groot dat de stenen barsten en in gevaarlijke projectielen veranderen! Het probleem kan verholpen worden door ze heel langzaam te verwarmen.

Vuur aansteken en onderhouden

Vrouw blaast in het vuur.

We hebben de juridische situatie al opgehelderd en alles zo voorbereid dat je een vuurplaats hebt gevonden en het tondel klaarligt. Ook de dunne stukjes hout om het vuur aan te maken en de langdurig brandende dikke takken en blokken hout heb je inmiddels binnen handbereik. Met behulp van de verschillende materiaalgroottes wordt het vuur geleidelijk “opgestookt”. In het begin branden alleen de kleinste stukjes planten en hout. Naarmate de hitte toeneemt, kun je steeds grotere stukken erop leggen.

Maar eerst moet een vlam of een vonk het tondel bereiken om daar een gloed te laten ontstaan, die vervolgens uitgroeit tot de eerste vlammen. Dat gaat met veel verschillende methoden en technieken. Voor de volgende selectie heb ik gebruik gemaakt van mijn persoonlijke ervaring, en naast mijn onlineonderzoek heb ik ook wat literatuur gelezen – met name de (over het algemeen zeer aan te bevelen) boeken Outdoor Praxis van Rainer Höh en Living Wild van Bear Grylls.

Tondel maken en stapelen

Iedereen weet natuurlijk dat je niet zomaar een houtblok kunt aansteken om vuur te maken. In plaats daarvan moet je eerst kleine stukjes fijn, los en droog brandbaar materiaal vlam doen vatten. Sommige rasechte bushcrafters hebben altijd wat van dat zogenaamde tondel, dat gewoon met een simpele vonk aangestoken kan worden, bij zich.

Zoals reeds vermeld in het vorige vuurartikel is elke soort droog en dood plantaardig materiaal geschikt als tondel. Ook bepaalde paddenstoelen zijn geschikt om vuur mee te maken. Een voorbeeld is de tondelzwam, die vaak voorkomt op oude of zieke loofbomen. Die heeft haar naam te danken aan haar speciale functie.

De hars van veel boomsoorten (vooral dennen) of zelfs oude sinaasappelschillen kunnen eveneens dienen als natuurlijk ontstekingsmateriaal.

Berkenschors
In de natuur vind je allerhande materialen die als tondel gebruikt kunnen worden. In noodgevallen kun je bijvoorbeeld berkenschors gebruiken.

Berkenschors is een erg veelzijdig en goed vindbaar tondel. Zelfs als de schors niet gedroogd is en behoorlijk waait, vat ze nog vlam. Als de schors nat is, kun je hem gemakkelijk ontsteken nadat je hem even hebt drooggewreven. Verzamel indien mogelijk alleen dode schors, maar indien nodig kun je ook dunne, kleine stukjes schors van de boom trekken zonder deze te beschadigen. Ook van andere schors- en houtsoorten kun je met een mes fijne splinters en krullen schaven.

Naast natuurlijk materiaal zijn stukjes krant en papier en alle materialen die je in stukjes kunt scheuren geschikt.

Tondelpiramide

Er bestaan veel manieren om het tondel te laten branden. De klassieke methode is om het te stapelen in een piramidevorm van zo’n 10-20 cm hoog. Als de piramide te klein is, gaat ze waarschijnlijk weer uit nadat je haar in brand hebt gekregen. Als ze te groot en te dicht op elkaar geperst is, krijgt het materiaal niet genoeg zuurstof om te branden.

Stapel een paar twijgjes en stukjes hout boven op de tondelpiramide in de vorm van een tipi. Er moet een opening blijven, zodat de ontstekingsvonk of de lucifervlam tot bij de tondel kan.

Aansteken: de basis

Welke methode je ook gebruikt: als er nauwelijks een vlam is maar wel veel rook, moet de zuurstoftoevoer worden verhoogd door voorzichtig of krachtig te blazen. Omdat hitte en vuur zich, zoals bekend, van onder naar boven verspreiden, moet je de aansteker/lucifer aan de onderkant van de tondelstapel houden, niet aan de bovenkant. Ook de ontstekingsvonk moet je naar de onderkant richten. Hetzelfde geldt voor blazen om de gloed aan te wakkeren: van bovenaf blazen kan ervoor zorgen dat de gloed dooft.

Steek het vuur altijd vanaf de windkant aan. Je kunt je hand beschermend over de vlam houden als windscherm. Het is nog beter als een tweede persoon klaarstaat als helper en bescherming biedt tegen wind en vocht met zijn handen, zijn hele lichaam, een jas of een zeil.

Aansteken met een aansteker of lucifer

Een aansteker is simpelweg de meest geschikte ontstekingsbron. De vele andere methoden zonder techniek laten het soms afweten op de meest onfortuinlijke momenten, zeker bij beginners. Het gebeurt wel vaker dat beginnende vuurtjesmakers verbaasd zijn, als het de eerste keren wat langer duurt en ze verbazingwekkende hoeveelheden tondel verbruiken. Maar hoe luidt het gezegde ook alweer? Juist ja: oefening baart kunst.

In natte en/of winderige omstandigheden is het soms moeilijk, zelfs met lucifers en gewone aanstekers. In zulke situaties kunnen stormaanstekers, stormlucifers en ‘strike anywhere’-lucifers nuttig zijn. ‘Strike anywhere’-lucifers kun je niet alleen ontsteken op het wrijfoppervlak van het luciferdoosje, maar ook op tal van andere oppervlakken. Als er gevaar bestaat dat brandend materiaal wegwaait en er geen mogelijkheden zijn om de wind af te schermen, maak dan geen vuur!

Lucifers: de ouderwetse variant

Aansteker met vlam
Lucifers kunnen beschermd worden tegen vocht met een laagje was.

Het kan dus geen kwaad om goed voor je aanstekervoorraad te zorgen en een paar waterdicht verpakte noodlucifers bij je te hebben. Het voordeel van lucifers ten opzichte van aanstekers is dat je ze iets preciezer en dichter bij de tondelstapel kunt houden zonder je vingers meteen te verbranden. Een van de nadelen is dat ze gevoelig zijn voor vocht. Daarbij kan echter een oude padvinderstruc van pas komen: doop de ontvlambare kop voor je volgende trektocht in vloeibaar kaarsvet en ‘impregneer’ hem zo tegen vocht. Het kaarsvet kan gemakkelijk eraf geschraapt worden wanneer je de lucifer nodig hebt.

De voordelen van regelbare gasaanstekers of, nog beter, navulbare stormaanstekers op benzine zijn dat je één hand vrij hebt bij het aansteken van het vuur en dat ze blijven branden tot het tondel vlam vat, niet gewoon totdat de lucifer op is of je je vingers verbrandt. Bovendien droogt het vuursteentje in de aansteker zelfs als hij in het water is gevallen weer volledig.

Wil je echt zoals in het stenen tijdperk te werk gaan? Gooi dan je aansteker en lucifers weg en gebruik een van de volgende aansteekmethoden.

De alternatieven

Wie nieuwsgierig is en graag experimenteert, zal zeker plezier beleven aan de volgende “trucjes” – zolang het geen survivalsituatie is waarin het belangrijk is dat het vuur snel brandt…

Brandglas

Deze methode is de minst lastige en de snelste, maar wel alleen als de zon aan een onbewolkte hemel schijnt. Houd een vergrootglas of een andere glazen lens (verrekijker, bodem van een fles enz.) zo boven het tondel dat het invallende zonlicht in een zo geconcentreerd mogelijke straal erop wordt gericht. De hitte is vaak groot genoeg om het materiaal na korte tijd te laten gloeien. Meestal moet je nog wat blazen om de gloed te veranderen in vlammen. Tip: het licht wordt nog meer gebundeld, als je de lens vochtig maakt.

Vuur slaan: aansteken met vuurstaal, vuursteen enz.

De term vuurstaal verwijst meestal naar de ronde, ruwe stokken met een plastic handvat die in veel outdoorwinkels worden verkocht en die met een koord aan een metalen plaatje zijn bevestigd. Als je het metalen plaatje over de stok wrijft, ontstaan er veel vonken die vliegen in de richting waarin de stok wordt vastgehouden. Een zeer betrouwbare aansteekhulp, maar het kan soms wel even duren voordat de rondvliegende vonken een gloed veroorzaken in het tondel.

Aansteker met vlam
Met een aansteker kan waarschijnlijk vrijwel iedereen vuur maken. Maar hoe zit dat met een brandglas, vuursteen en dergelijke?

Vuurstenen worden gekenmerkt door hun hoge hardheid en glasachtige consistentie. Die eigenschappen zorgen ervoor dat de steen kleine gloeiende staaldeeltjes doet loskomen. Hoe meer koolstof het staal bevat, hoe beter de steen werkt. Ook hier moet je de vonken op het tondel richten totdat er een gloed ontstaat.

De vuursteen moet je doorgaans zelf meenemen. In veel regio’s is de kans dat je toevallig vuurstenen in de buurt vindt immers nauwelijks groter dan dat je per toeval een aansteker in het bos zou zien liggen. De website Flintsource.net biedt een kaart met een overzicht van locaties waar je vuursteen kunt vinden in Europa. Daarop is te zien dat er weliswaar veel mogelijke vindplaatsen zijn, maar dat je in Duitsland en het Alpengebied niet snel een vuursteen zal aantreffen. Kijk je echter naar Nederland, zul je zien dat je naar het zuidelijkste puntje van Limburg zou moeten gaan, voor het vinden van vuurstenen.

Een andere optie is om een vuursteen op andere minerale gesteenten te slaan, op kwarts bijvoorbeeld. Je kunt zelfs rondvliegende vonken doen ontstaan door het lemmet van een mes op normaal gesteente te slaan.

Het is iets gemakkelijker om vuur te slaan, als je een verkoold stuk katoenen doek bij je hebt. Het voordeel van dit licht ontvlambare materiaal is dat het kleine vonken zeer goed “opneemt” en blijft gloeien. Meer details over deze en andere mogelijke combinaties van materialen om op elkaar te slaan vind je in dit zeer goed geïllustreerde Wikihow-artikel.

Vuur boren

Het voordeel van vuur boren is dat je geen materiaal hoeft mee te brengen. Oké, een mes heb je wel nodig, maar dat zit op veel tochten toch al in je rugzak. Daarnaast heb je een plank nodig van zo zacht mogelijk hout en een stok van zo hard mogelijk hout met een diameter van ongeveer een centimeter. Slijp de stok met je mes en kerf een inkeping in de houten plank om de stok in te plaatsen. Draai de stok vervolgens zo snel mogelijk heen en weer met de geslepen kant in deze inkeping.

In deze Youtube-tutorial zie je hoe de vuurboogmethode ook werkt zonder meegebracht materiaal (afgezien van het mes). Bij de vuurboog wordt de houten stok in een boogkoord bevestigd. De stok kan veel sneller draaien en meer hitte opwekken door de boog heen en weer te trekken dan door alleen maar met je handen heen en weer te wrijven.

De boogkoord kun je maken met behulp van een veter waarmee je een tak op spanning brengt. Deze methode is echter niet alleen tijdrovend, maar ook erg lastig.

Als je meer te weten wilt komen over andere interessante en ongebruikelijke methoden, zoals de methode met batterijen en staalwol, dan moet je zeker eens het bovengenoemde Wikihow-artikel doornemen.

Het vuur onderhouden

Vrouw warmt zich aan het vuur
Zodra je het vuur hebt aangestoken, moet je het langere tijd in stand houden.

Wanneer na ongeveer 5 tot 10 minuten het tondel de dunnere takjes heeft aangestoken en er een stabiele vlam met voldoende hitte is ontstaan, kan het dikkere en massievere brandbare materiaal geleidelijk worden toegevoegd. Zodra er genoeg gloeiende hitte en een krachtige vlam is, kun je zonder problemen grove blokken en dikke stokken op het vuur leggen.

De eerder beschreven tipi is de klassieke methode om dit stabiele vuur te maken: maak een “indianentent” van takken die niet dikker zijn dan een vinger boven op de tondelstapel. Er moet voldoende plaats zijn tussen de lagen van de tipi om genoeg lucht door te laten. En vergeet niet: je moet van tevoren zoveel mogelijk brandbaar materiaal dicht bij het vuur stapelen en het beetje bij beetje toevoegen.

Om het vuur lang te doen branden moet je dunne en dikke twijgen/takken mengen. Te dikke of te dicht op elkaar gestapelde stokken kunnen de luchttoevoer verhinderen en het vuur verstikken. Aan de andere kant mag het brandbare materiaal ook niet te losjes op elkaar gestapeld zijn, omdat de hitte zich dan niet kan concentreren.

Welk vuur voor welk doel?

De talrijke soorten vuren verschillen vooral in de hoeveelheid warmte die moet ontstaan, hoelang het vuur moet branden en in welke richting de warmte afgegeven moet worden. Daarnaast kan een kampvuur natuurlijk ook gewoon idyllisch zijn, bijvoorbeeld als “sfeervolle verlichting of het middelpunt van een gezellige kring voor gesprekken, samen zingen of zelfs dansen“.

Koken, opwarmen, ontspannen

Man drinkt uit beker in de natuur
Een vuur om te koken of om je warm te houden?
Het doeleinde is bepalend voor de vorm van het vuur.

Bij kampvuren kan een onderscheid gemaakt worden tussen twee algemene doeleinden: een vuur om te koken en een vuur om je op te warmen. Bij beide varianten mag het hout niet willekeurig op elkaar gestapeld worden, maar moet het doelgericht worden gebruikt op basis van de hieronder beschreven methoden. Als je gewoon vuur maakt om naast te ontspannen, doen deze methodes er minder toe.

Vuur om te koken mag over het algemeen alleen heel klein zijn als je maar met één (koeken)pan eten wilt klaarmaken. Als je meer dan één (koeken)pan wilt gebruiken, kun je de hoop brandbaar materiaal wat langer maken. Een andere mogelijkheid is om twee of meer kleine kookvuurtjes te maken.

Er zijn veel mogelijkheden om je (koeken)pannen boven het vuur te plaatsen of op te hangen. Laat je creativiteit de vrije loop! Je kunt stenen en (bij voorkeur natte) takken gebruiken. Stel je daarbij de volgende vraag: moet een min of meer geavanceerde hefboomconstructie de afstand tot de vlam kunnen regelen of is het voldoende om de pan direct in de gloed en vlammen te plaatsen.

Ook vuren om je te warmen hoeven geen gigantische afmetingen te hebben. In plaats daarvan is het beter om ze efficiënt te gebruiken door er dicht bij te gaan staan en zoveel mogelijk reflectoroppervlakken voor de warmte te creëren. Een rots of steile oever direct achter je rug is ideaal.

Een koppel maakt vuur onder een tent
Een goed gemaakt reflectorvuur kan heel lang branden, maar alleen als er geen brandgevaar is.

Je kunt ook een reflectoroppervlak maken met een zeildoek of, beter nog, met een gecoate aluminium deken (“reddingsdeken”). Bovendien biedt een reflector vaak een goede windbescherming.

Een goed gemaakt reflectorvuur kan zo lang warmte afgeven dat je zelfs een tijdje kunt slapen zonder voortdurend brandbaar materiaal toe te voegen. Als je echter in het bos bent of als er brandgevaar is, moet het vuur ‘s nachts worden gedoofd of de hele tijd in het oog gehouden worden.

Sterren, kruizen, piramiden: de belangrijkste vuurvormen

Bij het stervuur worden de takken in een stervorm rond het midden van de vuurplaats gelegd en nadien van buitenaf naar binnen geschoven. Zo’n vuur brandt geconcentreerd en heet op een kleine oppervlakte. Het voordeel is dat het brandbare materiaal spaarzaam en efficiënt wordt gebruikt. Het kookoppervlak kan hier worden geïmproviseerd door stenen tussen de takken te plaatsen. De relatief beperkte warmte wordt voornamelijk naar boven afgegeven bij een stervuur.

Voor meer warmteontwikkeling naar de zijkanten toe moet je het brandbare materiaal meer in de hoogte dan in de breedte stapelen. Van het stervuur kan je een piramidevuur maken, de klassieke universele vuurvorm. Je moet er wel op letten dat de piramide een goede basis heeft en niet instort. Verder mogen de toegevoegde stukken hout niet naar buiten kantelen.

Natuurlijk werkt het stervuur ook als het hout in een kruisvorm wordt toegevoegd. Daarom wordt dit soort vuur soms ook een kruisvuur genoemd.

Soms verwijst de term kruisvuur echter ook naar een “jagersvuur”. Dat brandt langzamer met een gematigde warmteontwikkeling. Voor dit vuur leg je de twijgen en takken kruislings op een “rail” die bestaat uit twee grote blokken/stokken die evenwijdig geplaatst zijn en bij voorkeur gemaakt zijn van hardhout.

Een upside-down vuur wordt op dezelfde manier gemaakt als het jagersvuur, behalve dat hier de twijgen en takken in verschillende lagen van voornamelijk hard hout in een rechte hoek en parallel op de twee naast elkaar liggende houtblokken worden gelegd. De blokken kunnen ook gemaakt zijn van groen en/of vochtig hout, omdat dit vuur een langdurige hitte moet produceren die naar alle kanten afgegeven wordt. Er vormen zich niet zo snel sintels, waardoor dit vuur zowel geschikt is om je te warmen als om eten lang te garen.

Upside-down vuur
In de vorm van een ster, kruis of piramide? Welke vuurvorm is het beste geschikt voor welk doeleinde?

Het upside-down vuur brandt bijzonder lang en veilig als je het ombouwt tot de wat complexere vorm van een pagodevuur.

Andere vormen

Een reflectorvuur wordt gebruikt voor verwarming en is bedoeld om warmte specifiek naar één kant af te geven. Daarvoor worden twee massieve palen van zo min mogelijk brandbaar hout schuin in de grond verankerd. Op deze “rail” worden vervolgens stokken en takken gelegd, zodat het brandbare materiaal een hellend oppervlak vormt. Het vuur wordt aan de bovenkant van het hellende vlak aangestoken door tondel en dun brandbaar materiaal tegen het oppervlak te laten leunen. Vervolgens geeft het vuur de warmte voornamelijk naar boven en opzij toe af aan de kant van de vuurplaats. Nieuw brandbaar materiaal wordt van bovenaf toegevoegd en brandt dan beneden op.

Het kuilvuur is een goede keuze als het waait of als een maaltijd heel lang moet garen. Rondvliegende vonken kunnen aanzienlijk worden verminderd met kuilvuren. De droge takken van verschillende groottes worden hier tegen de ronde wand van de kuil geplaatst. Op de grond geplaatste stenen verbeteren de luchttoevoer. Een kuilvuur is relatief moeilijk aan te steken en geeft zijn hitte geconcentreerd af naar boven. Het biedt dan ook niet zoveel warmte, maar reflectoroppervlakken, die je misschien toch al nodig hebt als extra windbescherming, kunnen wel heel dicht en dus doeltreffend bij het vuur worden geplaatst.

Kampvuur veilig doven

De allerbelangrijkste regel is misschien wel de volgende: je mag de vuurplaats pas verlaten wanneer de laatste vonk is gedoofd! Waarom? Die ene vonk kan door de wind op brandbaar materiaal in de omgeving geblazen worden en genoeg zijn om de volgende bos- of struikbrand te veroorzaken.

Rook in het bos
Zelfs het kleinste vonkje kan een bos- of struikbrand veroorzaken. Daarom moet je ervoor zorgen dat het vuur ook echt gedoofd is.

Maar als alles goed gaat, is het redelijk simpel: het vuur dooft door geen hout meer toe te voegen. Bij dikke blokken hout kan dat echter vrij lang duren. Daarom kun je die ook apart blussen met water, aarde, zand of iets dergelijks. Pas wanneer het vuur geen “voeding” meer heeft in de vorm van brandbaar materiaal, dooft het. Maar zolang er kleine restjes overblijven, is een beetje zuurstof soms genoeg om weer een gloed of vonk te doen ontstaan.

De veilige manier

Houd voor de zekerheid blusmateriaal, zoals een grote hoeveelheid water, aarde, zand of een blusdeken, indien mogelijk vanaf het begin binnen handbereik in de buurt van het vuur. Een goed gevulde blaas kan ook dienen als blusmiddel. Het vuur uitplassen is een populaire blusmethode, tenminste bij mannen. Voel je vrij om in de reacties te discussiëren over de gepastheid van deze oplossing.

Nadat je het vuur gedoofd hebt, roer je met een stok erin om te controleren of er toch geen gloeiende resten verborgen zijn. Kijk ook goed na of er ergens nog rook opstijgt.

Doe ten slotte de “hittetest” door een hand dicht bij het opgebrande materiaal te houden en het te controleren op restwarmte. Gooi indien nodig opnieuw water of blusmateriaal in de hoop, roer er opnieuw in met de stok en controleer nog een keer. Pas als er absoluut niets meer te zien of te voelen is, mag je de vuurplaats verlaten. Natuurlijk moet die er dan uitzien zoals je haar aangetroffen hebt – of liever zelfs een beetje schoner…

In ieder geval hopen we in deze driedelige reeks alles te hebben verteld wat je moet weten over vuur. Zit je toch nog met ‘brandende’ vragen? Stel ze dan gerust in de reacties!

Deel dit bericht met andere bergvrienden

Bergvriend Stephan

Toen ik acht jaar was las ik mijn eerste boek over de bergen. Het zorgde ervoor dat ik mijn speelgoedauto’s en lego totaal vergat. Mijn interesse voor de bergwereld is daarna alleen maar gegroeid.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ontdek de juiste producten in de Bergfreunde.nl shop

Dit zou je ook kunnen interesseren